Hervorming vennootschapsrecht: geen onderscheid meer tussen burgerlijke en handelsvennootschappen

De hervorming van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 draait rond vereenvoudiging, flexibilisering en aanpassing aan Europese evoluties. Over die ingrijpende hervorming is het laatste woord nog lang niet geschreven. Vandaag staan we stil bij de verdwijning van één van de basisprincipes uit ons vennootschapsrecht: het onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen.

Structuur WVV

We beginnen onze bijdrage met een overzicht van de structuur van het nieuwe wetboek. Het nieuwe wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) zal in delen en boeken worden opgebouwd:
Deel 1: algemene bepalingen (boeken 1 t.e.m. 3)
Deel 2: vennootschappen (boeken 4 t.e.m. 8)
Deel 3: verenigingen en stichtingen (boeken 9 t.e.m. 11)
Deel 4: herstructurering en omzetting (boeken 12 t.e.m. 14)

Deel 5 over de Europese rechtsvormen zal pas later in het nieuwe wetboek worden geïntegreerd. Voor de Europese Vennootschap (SE) en de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) zal dus ons huidige wetboek voorlopig van toepassing blijven.

Burgerlijke versus handelsvennootschappen

Een belangrijke krachtlijn van de hervorming is een vereenvoudiging van ons vennootschapsrecht via de afschaffing van een aantal vennootschapsvormen. We lijsten de vormen die verdwijnen nog eens op: stille en tijdelijke handelsvennootschappen, economische samenwerkingsverbanden (ESV), landbouwvennootschappen, eenpersoons- en starter-bvba's, coöperatieve vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid (CVOA) en commanditaire vennootschappen op aandelen (CVA).

Naast de afschaffing van de voormelde vennootschapsvormen, zal ook het onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen verdwijnen.

Artikel 3 van het huidige W.Venn. bepaalt:
De vennootschappen worden beheerst door de overeenkomsten van partijen, door het burgerlijk recht en, indien ze een handelsaard hebben, door de bijzondere wetten op de koophandel (§ 1).
De burgerlijke of handelsaard van een vennootschap wordt bepaald door haar doel (§ 2).
Zulks geldt zelfs wanneer in de statuten is bepaald dat de vennootschap niet is opgericht met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen (§ 3).
Burgerlijke vennootschappen met handelsvorm zijn vennootschappen waarvan het doel burgerlijk is, en die, zonder hun burgerlijke aard te verliezen, de rechtsvorm van een handelsvennootschap aannemen met het oog op het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Zij hebben niet de hoedanigheid van koopman (§ 4).

Dit onderscheid is verouderd (lees achterhaald) door de invoering en uniformisering van het ondernemingsbegrip in het Wetboek van Economisch Recht (WER) en de geplande omvorming van de rechtbank van koophandel tot ondernemingsrechtbank. Hierdoor zal het onderscheid tussen burgerlijke daden en daden van koophandel verdwijnen. Het begrip koopman/handelaar wordt vervangen door het begrip onderneming.

Artikel 1:1 van het WVV stelt:
Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Zij heeft tot doel aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Gevolg

Het gevolg van de afschaffing van het onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen is dat zowel vennootschappen als verenigingen, als ze een economische activiteit uitoefenen en winst nastreven, als ondernemingen worden gekwalificeerd. Verenigingen en stichtingen moeten hun winst wel besteden aan een belangeloos doel.
Burgerlijke vennootschappen met een economische activiteit zoals vrije beroepers, zullen dus aan het ondernemingsrecht en in het bijzonder het insolventierecht worden onderworpen. Dit betekent dat vrije beroepen failliet kunnen worden verklaard.

Tijdschema

Het voorontwerp van wet tot invoering van een nieuw wetboek van vennootschappen en verenigingen is voorgelegd aan de Ministerraad voor een tweede lezing. In de komende maanden zal het ontwerp aan het Parlement worden voorgelegd. We verwachten dat het in het eerste semester van 2018 wordt goedgekeurd. De publicatie van het nieuwe wetboek in het Belgisch Staatsblad zou voor het najaar van 2018 zijn.

Volgens de laatste berichtgeving (en onder voorbehoud) zou voor nieuwe vennootschappen het WVV meteen in werking treden bij publicatie in het Belgisch Staatsblad (lees 10 dagen na publicatie). Een vennootschap kan vanaf dan ook niet meer worden omgezet in een verdwenen rechtsvorm.
Voor bestaande vennootschappen zou het WVV in werking treden op 1 januari 2020. Bij de eerstvolgende gelegenheid moeten de statuten worden aangepast. Rechtsvormen die verdwijnen, moeten uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding hun rechtsvorm aanpassen. Ze blijven onderworpen aan het huidige wetboek, met uitzondering van alle dwingende bepalingen.

Nieuws

Sinds 1 januari 2022 geldt er in het Vlaams gewest, bij overdracht van een niet-residentieel gebouw, een verplichting om het gebouw te “renoveren”. Dit betekent dat bepaalde installaties moeten vervangen worden binnen de 5 jaar na de overdacht. Daarnaast moeten de gebouwen voldoen aan enkele minimale energievereisten, ook binnen de 5 jaar na de overdracht.

Eind 2021 pakte de wetgever uit met een wet die onze mobiliteit moet vergroenen door enerzijds de fiscale aftrek van voertuigen op fossiele brandstoffen af te schaffen, en door anderzijds de investeringen in verplaatsingen zonder C02-uitstoot aan te moedigen. Zo genieten ondernemingen een verhoogde aftrek voor de installatie van laadpalen. Particulieren hebben recht op een belastingvermindering. Maar hoe zit het met het btw-aspect van die laadpalen?

Als een vennootschap betalingen doet aan personen of vaste inrichtingen gevestigd in een belastingparadijs, dan moet ze dat aangeven. De administratie gaf onlangs wat meer inzicht in wat dat precies betekent…, volgens de fiscus althans.