Veiligheid en gezondheid op de werkplek dankzij Dienst en Comité voor preventie en bescherming op het werk

28 april is het werelddag voor veiligheid en gezondheid op het werk. Misschien hét moment om aandacht te hebben voor preventie, identificatie en evaluatie van de risico’s op de werkplek. Als werkgever staat u niet alleen in het voorkomen van arbeidsongevallen en de bescherming van uw werknemers. De Dienst voor preventie en bescherming op het werk en het Comité voor preventie en bescherming op het werk adviseren u bij de toepassing van de maatregelen over het welzijn op het werk.

Dienst voor preventie en bescherming op het werk

Iedere werkgever moet een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk oprichten. Die dienst helpt u bij het toepassen van de te nemen maatregelen in het kader van het welzijn van uw werknemers bij de uitvoering van hun werk. De interne dienst geeft vooral advies, maar heeft ook andere verantwoordelijkheden:

meewerken aan de identificatie van risico's, en advies geven over het globaal preventieplan en het jaarlijks actieplan;

deelnemen aan het onderzoek naar de oorzaak van arbeidsongevallen;

advies geven over het opstellen van instructies, over informatie, onthaal en vorming van de werknemers;

vragen van de werknemers over de toepassing van de wetgeving beantwoorden;

het uitwerken van een interne noodprocedure;

het organiseren van eerste hulp.

Wanneer deze dienst de opgelegde taken niet zelf kan vervullen, kan u een beroep doen op een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. In principe moet u aansluiten bij zo'n externe dienst van zodra u 1 personeelslid in dienst heeft voor alle risico's die zich kunnen voordoen en waarvoor geen interne deskundige beschikbaar is.
Binnen de externe en interne dienst worden preventieadviseurs aangesteld. Die preventieadviseurs zijn belast met specifieke (advies) opdrachten.

Comité voor preventie en bescherming op het werk

Een Comité voor preventie en bescherming op het werk moet u oprichten wanneer u gewoonlijk gemiddeld ten minste 50 werknemers tewerkstelt. Onder een Comité voor preventie en bescherming op het werk wordt in de eerste plaats verstaan het comité dat bij de sociale verkiezingen door uw werknemers is verkozen. Is er geen comité verkozen, dan neemt de vakbondsafvaardiging in uw bedrijf de rol van het comité over en indien er ook geen vakbondsafvaardiging is, moet u uw werknemers rechtstreeks raadplegen over de aangelegenheden die hun welzijn op het werk aanbelangen.

De opdracht van het comité bestaat uit het adviseren en het formuleren van voorstellen over  het welzijnsbeleid van uw werknemers bij de uitvoering van hun werk, over het globaal preventieplan en over het jaarlijks actieplan.
In ondernemingen zonder ondernemingsraad (ondernemingen die 50 tot 99 werknemers tewerkstellen) heeft het comité de bevoegdheid om de financiële en economische informatie van de onderneming te ontvangen.
Anderzijds is het comité bevoegd om bepaalde sociale inlichtingen van de werknemersvertegenwoordigers (bv. informatie over collectief ontslag, over invoering van nieuwe technologieën of over invoering van nieuwe arbeidsregelingen) te ontvangen in de ondernemingen waar geen ondernemingsraad en geen syndicale afvaardiging aanwezig is.
Ten minste één keer per maand moet het comité vergaderen in het hoofdkantoor van de onderneming.

Nieuws

Weldra is het zover: de jaarlijkse nationale invuloefening. Hoewel veel posten al vooraf ingevuld zijn, blijft het toch een moeilijke opdracht. Fiscale regelingen worden afgeschaft, maar blijven doorlopen voor het verleden; er komen nieuwigheden bij en dat alles maakt de aangifte elk jaar ingewikkelder. Waar moet u dit jaar op letten?

Salariswagens kennen een bijzonder belastingstelsel op het vlak van btw. Een bijzonder ingewikkeld stelsel bovendien. Toen Covid-19 onze manier van werken overhoop haalde, kende de fiscus toleranties toe. Die worden in 2022 teruggedraaid, maar om dat mogelijk te maken, is een nieuwe tolerantie nodig.

Wie samen met een andere persoon eigenaar is van een onroerend goed kan een einde maken aan die mede-eigendom door uit onverdeeldheid te treden. Het verdeeldrecht bedraagt, afhankelijk van de ligging van het onroerend goed, 2,5% in Vlaanderen of 1% in de beide andere gewesten. Bent u echter mede-eigenaar, samen met uw eigen vennootschap, dan betaalt u een verkooprecht van 12% of 12,5%. Waarom is dat?