Dividenduitkering aan buitenlandse vennootschap: bijkomende voorwaarden voor verlaagd tarief RV

Sinds eind 2015 geldt er een bijzonder tarief van 1,6955 % in de roerende voorheffing op dividenden die worden uitgekeerd aan buitenlandse moedervennootschappen. Dit tarief werd ingevoerd om de Belgische regels in overeenstemming te brengen met de Europese regels. De wetgever heeft nu nieuwe voorwaarden toegevoegd waaraan moet worden voldaan om van dit gunsttarief te kunnen genieten.

Kort de voorgeschiedenis

Dividenden uitgekeerd aan Belgische en buitenlandse moeders werden tot vorig jaar verschillend behandeld. Buitenlandse vennootschappen kunnen bepaalde aftrekken niet of niet op dezelfde manier toepassen (dbi-aftrek) als Belgische vennootschappen. Dit leidt er toe dat hun dividenden zwaarder worden belast. Het Hof van Justitie heeft België al in 2012 veroordeeld voor deze ongelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse moeders. De wetgever moest tegemoet komen aan deze kritiek. Dat heeft ze gedaan door de roerende voorheffing op de dividenden van deze buitenlandse vennootschappen drastisch te verlagen tot 1,6955 %.

Dit tarief van 1,6955 % is van toepassing op dividenden die Belgische vennootschappen uitkeren aan vennootschappen die gevestigd zijn in een land dat lid is van de EER (Europese Economische Ruime = de EU + IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) of in een land waar België een belastingverdrag mee heeft afgesloten. De moeder moet beschikken over een deelneming van minstens 2,5 miljoen EUR, die ze minstens één jaar ononderbroken in volle eigendom behoudt.

De 1,6955 % is de facto gelijk aan wat Belgische moeders betalen: 33,99 % vennootschapsbelasting op 5 % van wat de dividenden die ze van hun dochters ontvangen (de andere 95 % wordt als dbi-aftrek afgetrokken). 

Nieuwe voorwaarden

Het nieuwe tarief blijft gelden, maar de wetgever heeft wel extra voorwaarden toegevoegd die moeten worden vervuld, om van dat tarief te kunnen genieten.

Niet voor Belgische moeder

Een eerste wetswijziging bevestigt voor de duidelijkheid dat verkrijgende vennootschappen die in België gevestigd zijn, niet in aanmerking komen voor het verlaagd tarief. De moeder moet immers gevestigd zijn in “een andere lidstaat van de EER”.

Identificatieverplichting

Daarnaast zal de verkrijgende moeder een attest moeten voorleggen aan haar uitkerende Belgische dochter, waarin wordt bevestigd dat aan de verschillende voorwaarden is voldaan. In het attest moet de verkrijger duidelijk worden geïdentificeerd: de volledige naam, rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer moet worden vermeld.

Taxatievoorwaarde voor uitkerende en ontvangende vennootschappen

Voor de uitkerende Belgische vennootschap geldt voortaan een taxatievoorwaarde. Uitkeringen door een Belgische vennootschap die niet in aanmerking komen voor dbi-aftrek kunnen daardoor ook niet van het verlaagd tarief genieten. Zo vallen gereglementeerde vastgoedvennootschappen en bepaalde beleggingsvennootschappen uit de boot.
Ook nieuw, de ontvangende moeder zal aan een taxatievoorwaarde moeten voldoen, wat betekent dat ze aan de vennootschapsbelasting of een gelijkaardige belasting moet zijn onderworpen.

Nieuws

Wie zijn (uit de hand gelopen) hobby in een zelfstandige activiteit omzet om de verliezen ervan te kunnen aftrekken van andere inkomsten, moet uitkijken. Via datamining haalt de fiscus ondernemingen die permanent verlies lijden eruit en wordt, na controle, het verlies van de activiteit op nul gezet. Nu zet de fiscus de aanval ook in op de btw-aftrek.

Bedrijven die hun werknemers meer opleidingsuren toekennen dan reglementair is vereist, genieten sinds 1 januari 2021 van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Als de werknemer gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen minstens 10 dagen opleiding volgt op kosten van de werkgever, dan moet de werkgever een bedrag gelijk aan 11,75% van de bezoldiging van de betrokken werknemer niet doorstorten aan de Schatkist.

De heer X koopt een woning van vennootschap A. Zijn vader was aandeelhouder van A. Volgens de fiscus is de woning verkocht voor een prijs onder de werkelijke waarde. Daarom wil de fiscus het voordeel in hoofde van X belasten als een divers inkomen. De rechtbank van Brussel fluit de fiscus terug.